In Japan is bewust bewegen een kunst op zich. Er bestaat zelfs een woord voor: shosa. Wij reisden door het land, op zoek naar de essentie ervan in de handen van Japanse makers.
De eerste keer dat ik over shosa hoorde, was tijdens een gesprek met een jonge wever in Osaka. Hij vertelde me dat het weefproces voor hem net zo belangrijk was als het eindproduct. De eenvoudige, repetitieve bewegingen brachten hem in een meditatieve trance. ‘In Japan hebben we daar een woord voor’, zei hij: shosa.
Dat woord bleef hangen. Als designjournalist had ik in Europa al vaak soortgelijke gesprekken gevoerd met ambachtslieden en ontwerpers – over de schoonheid van het maakproces, de puurheid van eenvoudige handgebaren, het belang van het moment. Maar niemand had er een woord voor.
Shosa is tegelijk het eenvoudigste en het moeilijkste woord om uit te leggen. In essentie gaat het om een respectvolle, harmonieuze houding en manier van bewegen. Maar dat is niet het hele verhaal. Shosa gaat verder dan etiquette of beleefd handelen – het vraagt om een diepere intentie, en die heeft voor iedereen een andere betekenis.
Voor de een is shosa de schoonheid van een precieze beweging, voor de ander een vorm van mindfulness, een bewuste aanwezigheid in het moment. Sommigen spreken van een zuiver hart dat leidt tot zuivere bewegingen, anderen beklemtonen dat perfecte shosa pas ontstaat wanneer een handeling zo vaak is herhaald dat ze moeiteloos en natuurlijk wordt.
1 | ‘Je innerlijke zelf inkten’
Kobaien, inktmaker | Akinori Watanabe, kalligraaf
Nara was slechts kort de hoofdstad van Japan (710-794), maar het herbergt nog steeds tempels uit die tijd, met de Todai-ji-tempel en het vijftien meter hoge bronzen boeddhabeeld, de daibutsu, als absolute blikvangers. Ik voel dezelfde verwondering wanneer ik voor de ingang van Kobaien sta, de oudste inktfabriek van Japan, op een steenworp van de heiligdommen. Hier wordt Japanse inkt, of sumi, al sinds 1577 op traditionele wijze vervaardigd.
‘Sumi-inkt wordt vooral gebruikt voor Japanse kalligrafie, of shodo, en de hoogste kwaliteit komt in de vorm van een staaf’, legt de eigenaar uit, die anoniem wil blijven, maar al de zestiende generatie is die het familiebedrijf leidt. Bij Kobaien bestaat de inkt uit niets meer dan roet en natuurlijke lijm. In de donkere roetkamers zijn de muren bekleed met rijen kaarsen die natuurlijke oliën opbranden. Een keramisch deksel boven elke kaars vangt het roet op. ‘Elke twintig minuten draait een vakman het deksel 45 graden. Hij schraapt het roet ook regelmatig af met een borstel.’ De oogst van een hele dag werk is slechts een handvol roet.
Tijdens de rondleiding door de fabriek zie ik de kleine houten hutjes waar vakmannen de inkt met de voeten kneden. Elk object, elke ruimte, elke handeling straalt een gevoel van sereniteit uit. Wanneer ik de eigenaar vraag wat shosa voor Kobaien betekent, valt er echter een stilte. ‘Voor een uitleg over shosa kun je beter iemand vragen die de inkt gebruikt, in plaats van iemand die hem maakt.’
Dus reis ik negenhonderd kilometer richting het noorden, naar de shodo-club van de middelbare school Sendai Ikuei Gakuen. In 2024 won die voor het derde jaar op rij de nationale shodo-competitie. ‘In de Japanse cultuur draait het niet alleen om het eindproduct, maar ook om hoe je dat resultaat bereikt’, zegt Akinori Watanabe, de sensei van de club. ‘Bij sushi bijvoorbeeld gaat het niet alleen om de smaak, maar ook om hoe de vis wordt gesneden. De schoonheid van de bewegingen tijdens het proces en het bewustzijn dat daarbij hoort, zijn essentieel.’
2 | ‘De perfecte gastvrijheid in een kopje thee’
Michiko Hirokane, theemeesteres
‘Alles is gemaakt van hout en aarde. Het is als een berghut.’ Achter een kleine, gammele bamboepoort slingert een stenen pad zich door een miniatuurtuin met mos. Halverwege stuit je op een kleine stenen waterbak met een houten pollepel – een uitnodiging om je mond en handen te reinigen. Een paar stappen verder onthult een lage schuifdeur, amper een halve meter hoog, een glimp van het interieur.
Nadat je je strooien zori-sandalen hebt uitgedaan en je je door de opening hebt gewurmd, kom je in een bescheiden tatamikamer met lemen muren. Het is stil en donker. Een vrouw in een kimono begroet je met een zachte stem.
Ik ben in het theehuis Hoan, en de vrouw met de zachte stem is Michiko Hirokane. ‘Twintig jaar geleden begon ik met de sado, de theeceremonie’, vertelt ze. ‘Het begon heel toevallig. Ik wilde gewoon thee op de juiste manier kunnen schenken voor mijn vrienden. Maar nu besef ik hoe complex het is en welke sensaties ermee gepaard gaan. Als je de theeceremonie echt begrijpt, begrijp je veel van de Japanse cultuur.’
‘Sado verheft de eenvoudige handeling van het drinken van een kop thee tot iets bijzonders’, zegt Hirokane. ‘Het is een viering van het alledaagse.’ Toch ontvouwt zich tijdens een theeceremonie een choreografie van precieze bewegingen. In sado is letterlijk elke handeling vastgelegd, van het vasthouden van een kopje tot het wegleggen van een pollepel. Elke beweging volgt de kortste en eenvoudigste weg van punt A naar punt B. ‘Eigenlijk verschilt de theeceremonie niet zoveel van ons dagelijkse leven’, zegt Hirokane. ‘Elke regel op zich is simpel, maar alles samen vormen die regels een complex geheel. Daarom moet je de handelingen goed inoefenen, tot ze in je lichaam zitten. Pas dan ontstaat een diep gevoel van visuele en mentale rust.’
‘Vanaf het moment dat je een gast verwelkomt tot het afscheid wordt elke beweging met uiterste precisie uitgevoerd. Shosa betekent voor mij het creëren van een vloeiende, minutieuze stroom van bewegingen, uit respect voor de gast. Het draait om perfecte gastvrijheid.’
3 | ‘Vijftig uur onafgebroken bij het vuur’
Yasunori Ashizawa, pottenbakker
In het landelijke Tottori in West-Japan, de dunstbevolkte prefectuur van Japan, bevindt zich Inkyuzan, een pottenbakkersatelier met een driehonderd jaar oude, traditionele houtoven, gebouwd door de Tottori-clan in de Edo-periode (1603-1868). ‘Al die jaren is de oven niet verplaatst of aangepast’, vertelt Yasunori Ashizawa, de tiende generatie die de oven beheert. De oven gebruiken, is een arbeidsintensieve taak: het vuur brandt vijftig uur onafgebroken. ‘Ik moet tijdens het hele proces wakker blijven’, legt Ashizawa uit. ‘De technieken om de temperatuur stabiel te houden, worden van generatie op generatie doorgegeven. Maar niets wordt opgeschreven: je leert het met je lichaam.’
Bij Inkyuzan is het behoud van traditie belangrijker dan pragmatiek. Ashizawa werkt met een massief houten wiel van honderd jaar oud, zonder elektriciteit of mechanische kick. Met een oud, pistoolvormig stokje geeft hij het wiel een krachtige zwiep. Drie minuten en een paar draaien later is een klomp klei een chawan (theekom).
‘Voor mij is dat de essentie van een draaischijf. Ik gebruik ze alleen voor de meest waardevolle kommen’, zegt hij. ‘Het is zwaar voor je lichaam, maar de volgende dag voel je nog altijd het draaien in je arm.’ En dat vindt hij prettig.
Wanneer we Ashizawa vragen wat shosa voor hem betekent, antwoordt hij: ‘Hm, so desu ne.’ — Hm, ja. ‘Het is een belangrijk concept voor Japanners. Voor mij gaat shosa over het minimaliseren van bewegingen, het elimineren van alles wat overbodig is en volledige concentratie tijdens het maken van een kom. Ik probeer mijn shosa bij elke werkdag te verfijnen, om elke beweging nog preciezer te maken.’
Voor Ashizawa leidt shosa tot uitgepuurd werk, vrij van versieringen. Het ego moet worden geëlimineerd. Laat de handen maar denken. ‘Maar ik ben er nog niet helemaal’, zegt hij. ‘Ik werk pas twintig jaar met deze draaitafel en ben me nog altijd te bewust van mijn shosa.’
‘Shosa - Meditations in Japanese Handwork’
| Van Ringo Gomez met foto’s van Rob Walbers komt op 29 maart uit bij Luster